Wat er verandert
In veel zorgorganisaties was een wisseldrukmatras lange tijd de vanzelfsprekende keuze zodra een cliënt een verhoogd risico op decubitus had. Dat verandert. Organisaties kiezen steeds vaker voor een hoogwaardig drukverdelend schuimmatras als basis en zetten actieve systemen gerichter in. Dat past bij de manier waarop richtlijnen tegenwoordig naar onderlagen kijken: niet één type voor iedereen, maar een keuze die aansluit bij de cliënt, de huid en de zorgsituatie.
Wat de internationale richtlijn zegt
De bijgewerkte internationale richtlijn van EPUAP, NPIAP en PPPIA stelt voor cliënten met een risico op decubitus voor om óf een drukverdelend schuimmatras óf een reactief luchtmatras te gebruiken, en óf een schuimmatras óf een wisseldrukmatras. Wisseldruk is daarmee een gelijkwaardige optie geworden, en niet meer automatisch de eerste keuze. De richtlijn noemt het daarnaast goede praktijk dat organisaties toegang hebben tot verschillende soorten onderlagen, zodat er per cliënt gekozen kan worden in plaats van op basis van wat er toevallig op voorraad is.
Is wisseldruk daarmee achterhaald?
Nee, en dat is belangrijk om scherp te houden. De Amerikaanse VA/DoD-richtlijn uit 2026 stelt juist voor om bij cliënten met een hoog risico in het ziekenhuis en in het verpleeghuis reactieve lucht- en wisseldrukmatrassen te gebruiken in plaats van schuim. Het gaat om een zwakke aanbeveling, omdat het onderliggende bewijs beperkt is. Voor de behandeling van bestaande decubitus vond die richtlijn onvoldoende bewijs om één type onderlaag (het matras) aan te wijzen als beter dan een ander. Wie zegt dat wisseldruk niet meer werkt, gaat dus verder dan het onderzoek toelaat.
Wat er dus echt gebeurt
Het beeld is niet dat wisseldruk verdwijnt, maar dat de indicatiestelling strenger wordt. Een hoogwaardig schuimmatras is voor veel cliënten met een risico een goede en stille basis, zonder pomp en met weinig onderhoud. Wisseldruk blijft relevant bij specifieke hoge risico’s, als de huid onvoldoende herstelt of bij een bijzondere zorgvraag. Ook de Nederlandse richtlijn benadrukt dat de keuze maatwerk is en regelmatig opnieuw beoordeeld moet worden.
Wat geen enkel matras doet
Druk verdelen is iets anders dan een lichaamsdeel volledig ontlasten. Of een cliënt nu op schuim of op wisseldruk ligt: zolang de houding gelijk blijft, dragen stuit, heupen en hielen het gewicht. Een onderlaag verlaagt de belasting, maar haalt die niet weg. Daarom blijft houdingswisseling bij elke onderlaag een vast onderdeel van de preventie, en is die vraag minstens zo belangrijk als de keuze voor het matras.
De vraag achter de vraag
Stapt een organisatie over op schuim, dan verschuift de aandacht dus naar een andere vraag: hoe organiseren we de wisselligging? Een cliënt die zelf niet van houding kan veranderen, moet op een schuimmatras nog steeds geholpen worden. In de praktijk betekent dat handmatig draaien, vaak met twee zorgverleners, en ook in de nacht. Juist daar ontstaan de knelpunten die teams het meest voelen: tijd, fysieke belasting en onderbroken nachtrust.
Wat dit betekent voor je keuze
- Kies een goede drukverdelende basis voor alle cliënten met een verhoogd risico.
- Zet wisseldruk gericht in, op basis van risico, huid en zorgvraag, en leg de reden vast.
- Beoordeel houdingswisseling apart: wie kan zelf bewegen, en bij wie is hulp nodig?
- Kijk bij cliënten die veel hulp nodig hebben naar de werkbelasting en de nachtrust.
Hier ligt het verschil dat de Multiturn 6 maakt. Het is geen verbeterd wisseldrukmatras, maar een systeem dat ook de houding verandert. Wisseldruk, automatische laterale wisselligging en hielvrijlegging zitten in één matras, en zijn apart in te stellen. Zo kun je drukverdeling en houdingswisseling allebei op maat organiseren, zonder dat het team ’s nachts hoeft te draaien.